Systeemdenken 2. Doelrealisatie
1 2 3 4
voltooid

Inzet beleidsinstrumenten

Hoofdstuk
Geschreven door Erik Dekker
ongeveer 2 minuten om te voltooien

De beleidsmaker heeft verschillende instrumenten ter beschikking om voor de doelgroep het doelgedrag aantrekkelijk te maken. Deze beleidsinstrumenten kunnen ingezet worden op verschillende niveaus en op verschillende manieren. Om te bepalen welke inzet van beleidsinstrumenten het meest effectief is voor jouw doelgroep, biedt de eerder aan bod gekomen gedragsanalyse een helpende hand. Gedragsanalyses worden gebruikt om te achterhalen welke onderliggende factoren een rol spelen bij het ongewenste en gewenste gedrag. Dit helpt bij het bepalen waar je je op moet richten om het doelgedrag te bereiken. Is er bijvoorbeeld een gebrek aan kennis, dan kan informatievoorziening op het juiste moment helpen. Is de kennis van de doelgroep voldoende, maar is hun aandacht voor het doelgedrag beperkt, dan kunnen reminders of deadlines mogelijk helpen.

Interventieladder
Welke manier van interveniëren het meest passend is, verschilt dus per doelgroep en doelgedrag. Daarnaast zit er ook verschil in de mate waarin ingegrepen wordt. Dit wordt weergegeven in de zogenoemde interventieladder, zie figuur 1. De interventieladder weergeeft hoe sterk beleid ingrijpt door de inzet van gedragsinterventies. Het laat ook zien welke mogelijkheden er zijn om juist sterker of minder sterk in te grijpen. Het interventieniveau loopt op als de ruimte voor eigen keuze van actoren meer wordt beperkt. Onderaan de interventieladder wordt er het minst ingegrepen, bovenaan de interventieladder het meest.

Het heeft lang niet altijd de voorkeur om sterk sturende maatregelen te treffen. Bijvoorbeeld omdat deze te veel ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van mensen. Dit is onder andere het geval wanneer het gaat om gedrag achter de voordeur. Denk bijvoorbeeld aan het watergebruik in huishoudens in de zomer. Politieke of maatschappelijke belangen kunnen er echter toe leiden dat interveniëren wel de voorkeur heeft. Dan is er de mogelijkheid minder ingrijpende interventies in te zetten (zie de interventieladder). Bijvoorbeeld het informeren over gevolgen van watergebruik en het aanbieden van alternatieven. Hieronder worden de treden van de interventieladder nog eens toegelicht aan de hand van voorbeelden.

Exit fullscreen
Bron figuur 1: Nuffiel Council on Bioethics
  1. Niets doen of situatie monitoren. Er wordt besloten geen interventie in te zetten. Denk aan enkel het meten van de waterkwaliteit zonder hier verder op te handelen.
  2. Informatie verschaffen. Mensen worden geïnformeerd of er wordt iets geleerd. Denk aan een nieuwsbrief aan huishoudens met informatie rondom watergebruik in de zomer en praktische tips dit te verminderen.
  3. Keuze faciliteren. Mensen worden in staat gesteld hun gedrag te veranderen. Denk aan voldoende zichtbare inleverbakken voor medicijnresten in de apotheek.
  4. Keuze sturen door middel van de uitgangssituatie. De gewenste keuze wordt de uitganssituatie of standaardkeuze gemaakt. Denk aan een vooraf ingestelde lage temperatuur bij standaardprogramma’s op de wasmachine.
  5. Keuze sturen door middel van positieve prikkels. Financiële en andere prikkels worden ingezet om het gewenste gedrag te stimuleren. Denk aan een subsidie voor agrariërs ter verbetering van de waterkwaliteit.
  6. Keuze sturen door middel van negatieve prikkels. Financiële en andere prikkels worden ingezet om het ongewenste gedrag te ontmoedigen. Denk aan het uitdelen van boetes.
  7. Keuze beperken. Er wordt dusdanig gereguleerd dat het aantal keuzemogelijkheden beperkt wordt. Denk aan het volgen van een bepaalde standaard of norm voor het duurzaam inkopen.
  8. Keuze elimineren. Er wordt dusdanig gereguleerd dat bepaalde keuzemogelijkheden onmogelijk worden. Denk aan een wettelijk verbod op bepaalde gewasbeschermingsmiddelen.